De eerste vuren werden gemaakt van hout. Als snel werden dat kolen omdat dat langer brandde. Regen en wind hadden in die tijd vrij spel. Dat ging natuurlijk wel eens fout, maar het duurde tot de zestiende eeuw voordat er een glazen behuizing om de vuren geplaatst werd.
Lampen en reflectoren
In de zestiende eeuw kwam het olielicht in beeld. Olielampen gaven al een stuk beter licht, maar de echte grote verbetering kwam met de komst van de reflector. Hiermee kon een gebundelde lichtstraal gemaakt worden.
Lenzen
Het nadeel van de reflectoren was dat voor elke reflector een lamp nodig was. De komst van het lenzen bood uitkomst. De Franse natuurkundige A.J. Fresnel bedacht een systeem waarmee door het licht nog sterker gemaakt kon worden zonder meer lampen te gebruiken. In de loop der jaren is dit systeem regelmatig verbeterd. Veel vuurtorens hebben nog steeds een Lenzenstelsel van Fresnel.
Lichtschepen
Naast de vuurtorens op het land werden er op gevaarlijke plaatsen langs de kust drijvende vuurtorens geplaatst. Deze werden lichtschepen genoemd. De schepen waren tot in de jaren zeventig bemand. Daarna ging men over op onbemande platformen. In 1994 is het laatste Nederlandse lichtschip vervangen door een boei.
Vuurtorenwachter
De belangrijkste taak die de vuurboetmeester vroeger had, voor de komst van het elektrisch licht, was het vuur brandend houden. Met het afschaffen van een kolenvuur werd de vuurboetmeester vuurtorenwachter. Inmiddels is hij zeeverkeersambtenaar en zijn zijn taken flink uitgebreid. Wanneer u nu op zee bent kan de vuurtorenwachter veel meer voor u betekenen. Met behulp van radar en radio coördineert hij noodgevallen op zee en helpt hij bij het binnenvaren van de haven. Ook politie en douane doen soms een beroep op het vuurtorenpersoneel.