Vanaf de middeleeuwen bestond Den Haag uit twee gedeelten met elk een eigen karakter: het grafelijke Hof met de rijke buurten aan de Hofvijver en het Lange Voorhout en daarnaast, rond de Grote Kerk en het stadhuis, het dorp Die Haeghe, waar de burgers woonden. Het stadhuis, gebouwd op de kelders van het middeleeuwse Hof van Brederode en waarin rond 1450 het ‘dorpshuis' werd gevestigd, is één der eerste voorbeelden van de renaissance in het noorden van Nederland. De rijk versierde voorgevel herbergt bovenin de spreuk: ‘Ne Jupiter Quidem Omnibus’ - zelfs Jupiter kan het niet ieder naar de zin maken – en boven de middenpartij bevinden zich beeldhouwwerken die de Gerechtigheid en de Voorzichtigheid voorstellen met de Haagse Ooievaar en een latijnse spreuk, die vrij vertaald ‘wie zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht’ betekent. Het gebouw werd tussen 1968 en 1975 gerestaureerd en uitgebreid met een raadzaal. Thans wordt het voormalige stadhuis ‘slechts’ nog gebruikt als locatie voor het voltrekken van huwelijken.